treksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord treksel treksels
verkleinwoord trekseltje trekseltjes

Zelfstandig naamwoord

treksel o [2]

  1. (drinken) een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
    • In dit fors allegoriserende boekje, waarvan in 1877 nog een vijfde druk verscheen, haalt Alardin meer dan honderd Schriftplaatsen aan, aan de hand waarvan hij vergelijkingen maakt tussen theedrinken en het volbrachte werk van Christus. Een van de voorbeelden: „Het eerste treksel van de thee is het krachtigste en het lieflijkste. Dus zien wij dat het ook doorgaans gaat met het gebruik van Christus; in het begin van de verkering is het geloof, de liefde en de ijver des mensen veel ernstiger, krachtiger en vaardiger als daarna; enige tijd meer verstreken zijnde, begint de ziel al te verslappen en te vertragen; het is of Jezus zo beminnelijk en Zijn dienst zo verkwikkelijk voor haar niet meer is.” [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen