transportmiddel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·port·mid·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord transportmiddel transportmiddelen
verkleinwoord transportmiddeltje transportmiddeltjes

Zelfstandig naamwoord

transportmiddel o [1]

  1. (transport) al wat dient voor transport van mensen en goederen
    • erger belediging voor een motorliefhebber bestaat niet dan zijn 'fiets' een transportmiddel te noemen 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen