transporteerden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans·por·teer·den

Werkwoord

vervoeging van
transporteren

transporteerden

  1. meervoud verleden tijd van transporteren
    • Wij transporteerden. 
    • Jullie transporteerden. 
    • Zij transporteerden.