transitief

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tran·si·tief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen transitief transitiever transitiefst
verbogen transitieve transitievere transitiefste
partitief transitiefs transitievers -

Bijvoeglijk naamwoord

transitief [2]

  1. (taalkunde) overgankelijk
  2. overdraagbaar
    In de wiskunde is een binaire relatie R over een verzameling X transitief, als steeds wanneer een element a gerelateerd is aan een element b en element b op zijn beurt weer gerelateerd is aan een element c, dat dan ook element a gerelateerd is aan element c
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord transitief transitieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

transitief o

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal

Meer informatie