tralie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·lie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tralie traliën
tralies
verkleinwoord tralietje tralietjes

Zelfstandig naamwoord

tralie [2]

  1. v een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgesloten
    • De dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen. 
  2. o v (natuurkunde) (optica) een plaatje met een groot aantal parallelle lijnen erop dat diffractie vertoont voor licht
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
traliën

tralie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    • Ik tralie. 
  2. gebiedende wijs van traliën
    • Tralie! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van traliën
    • Tralie je? 


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen