trainingspak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trai·nings·pak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trainingspak trainingspakken
verkleinwoord trainingspakje trainingspakjes

Zelfstandig naamwoord

trainingspak o [1]

  1. een set sportkleding bestaande uit een broek (trainingsbroek) en een jasje (trainingsjas of -jack) of (capuchon)trui
    • Hoewel bedoeld om in te trainen, worden trainingspakken ook vaak gedragen als vrijetijdskleding. 
    • Luc begon zijn fitnesstraining om tien uur. Als warming-up zat hij in zijn trainingspak een sigaret te roken, waarna hij het roeiapparaat uit de kast sleepte, de televisie aanzette en begon te roeien terwijl hij strak naar het beeldscherm staarde. [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 9
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be