trafikant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·fi·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trafikant trafikanten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trafikant m [2]

  1. (economie) tussenpersoon, smokkelaar, handelaar
     „De drie hebben bekentenissen als trafikant tussenpersoon) afgelegd”, aldus De Buysscher eerder op de dag. De opdrachtgever, die mogelijk uit het buitenland komt, is nog niet gepakt.[3]
     “Maar de grote schuldige in het ganse zwarte circuit zijn de trafikanten die als tussenpersoon fungeren”, zegt de woordvoerder van de abdij. “Om hen stokken in de wielen te steken, denken de paters nu na over een nieuw bestelsysteem.”[4]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

16 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. trafikant op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Recordhoeveelheid anabolen gevonden” (24-07-2002), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink Weblink bron Tim Lescrauwaet “Abdij Westvleteren bindt strijd aan met biersmokkelaars” (17/03/2019), De Standaard
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be