traditie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·di·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘overlevering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1553 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord traditie tradities
verkleinwoord traditietje traditietjes

Zelfstandig naamwoord

traditie v

  1. datgene wat van generatie op generatie aan kennis of gewoontes overgedragen wordt
     De Franse traditie ziet er heel anders uit, zoals de Britse trendwatcher Stephen Bayley opmerkte. Je rijdt op je gemak over een met platanen omzoomde tweebaansweg, in een comfortabele auto, bij voorkeur een Citroën DS. Ondertussen zoekt je passagier in de Michelingids een restaurant waar je goed en uitgebreid kunt lunchen.[2]
     Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.[3]
  2. een bepaalde gewoonte die op gezette tijden in ere gehouden wordt
    • Het is in Nederland traditie om op oudejaarsavond oliebollen te eten. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen