traceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘nasporen’ voor het eerst aangetroffen in 1901 [1]
  • afgeleid van het Franse tracer (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
traceren
traceerde
getraceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

traceren

  1. overgankelijk de gang of oorsprong van iets nagaan
    • De agenten trachtten het telefoongesprek te traceren, maar daarvoor was het te kort. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen