totalt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Woordafbreking
  • to·talt
Naar frequentie 1381

Bijvoeglijk naamwoord

totalt, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van total


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·talt
Naar frequentie 2450

Bijvoeglijk naamwoord

totalt, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van total

Bijwoord

totalt

  1. geheel, totaal
    «Han var totalt sjanseløs.»
    Hij was totaal kansloos.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·talt

Bijvoeglijk naamwoord

totalt, o

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van total

Bijwoord

totalt

  1. geheel, totaal