torisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·risch
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen torisch
verbogen torische

Bijvoeglijk naamwoord

torisch

  1. (wiskunde), (optica) op een torus betrekking hebbend
    • Er wordt in de hedendaagse optica regelmatig met torische lenzen gewerkt. 
Antoniemen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.

Verwijzingen