toetsbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toets·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen toetsbaar toetsbaarder toetsbaarst
verbogen toetsbare toetsbaardere toetsbaarste
partitief toetsbaars toetsbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

toetsbaar [1]

  1. van iets of iemand dat het gekeurd kan worden; openstaan voor kritiek
    • Zij reageerde daarmee op de scherpe kritiek die de advocaten in de zaak eerder op de dag uitten op de inzet van de undercovers. Die zou oncontroleerbaar en niet toetsbaar zijn geweest. In de zaak werden in januari, bijna twaalf jaar na de roof, zeven verdachten aangehouden. Vijf van hen zitten nog vast en werden woensdag voorgeleid aan de rechtbank.[2] 
    • De IGZ staat daar nog steeds achter. „Huisarts Tromp liet zich die dag leiden door impulsen, anticipeerde niet, communiceerde niet en stelde zich niet toetsbaar op”, zei de advocate van de IGZ donderdag. Volgens haar moest de IGZ ingrijpen om te kunnen onderzoeken of er meer aan de hand was.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 03 mei 2017
  3. de Telegraaf 24 apr. 2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be