toeloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toeloop -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

toeloop m [1]

  1. het naar iets toekomen
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
toelopen

toeloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toelopen
    • ... dat ik toeloop. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen