toekunnen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·kun·nen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

toekunnen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toekunnen
kon toe
toegekund
onregelmatig volledig
  1. absoluut nodig hebben
    • In het rapport staat dat als de bedrijfsvoering wordt samengevoegd, de provincies in totaal met 127 arbeidsplaatsen minder toekunnen. Het gaat om onderdelen als personeelszaken, financiën, ondersteunende diensten en ICT. [2] 
    • Meerdere politici wijzen erop dat agenten in opleiding ook in uniform de straat opgestuurd worden en dus niet met gebrekkig Nederlands toekunnen. „Ik steun het streven naar meer diversiteit, maar dat mag nooit ten koste gaan van kwaliteit”, zegt CU-Kamerlid Segers. „Juist van agenten mag verwacht worden dat ze fatsoenlijk Nederlands spreken”, zegt SGP’er Van der Staaij. [3] 
    • Nederlanders hebben wettelijk recht op twintig vakantiedagen. Dat is minder dan in de andere Europese landen, maar veel meer dan in de VS of Japan. Ruim driekwart van de lezers vindt echter niet dat we in Nederland verwend zijn. Slechts tien procent meent dat we met minder dagen toekunnen. [4] 

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.

Verwijzingen