toehoorders
Uiterlijk
- Geluid: toehoorders (hulp, bestand)
- toe·hoor·ders
de toehoorders mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord toehoorder
- ▸ Hier zweeg de dwaze mens en keek zijn toehoorders weer aan: ook zij zwegen en keken verbaasd naar hem.[1]
- ▸ Het werd, op die 9de april 1939, een historische gebeurtenis, met meer dan vijfenzeventigduizend toehoorders en ontelbare luisteraars via de radio, 'de eerste civil-rights' rally zoals later wel werd gezegd.[2]
- ▸ Tijdens zijn eerste optreden voor een kiezerspubliek schoof hij, toen hij merkte dat zijn gehoor moe en verveeld was, zijn geplande toespraak over kwesties die de stad en het land betroffen opzij en besloot de toehoorders met zijn redenaarskwaliteiten te overdonderen.[3]
- Het woord toehoorders staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Paul van Tongeren“Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048529407 - ↑ “De Wisselwachter” (2025), Atlas Contact
, ISBN 9789045051734 - ↑ “De man zonder gezicht” (2022), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026325854