toddik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tod·dik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toddik toddikken
verkleinwoord toddikje toddikjes

Zelfstandig naamwoord

toddik o [2]

  1. smeerkees, smeerpoets
    • Een ander maal werd hij 's avonds laat uitgejouwd voor toddik en hondenmepper. [3] 

Gangbaarheid

8 % van de Nederlanders;
3 % van de Vlamingen.

Verwijzingen