timpje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • timp·je
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

timpje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord timp
    • Maar ik heb nooit gehoord dat iemand zich bijzonder voor den naam of de geschiedenis van het eenvoudige timpje interesseerde, terwijl velen dit wel degelijk doen voor den duivekater. [1]

Gangbaarheid

Verwijzingen