timpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tim·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • timp met uitgang -en

Zelfstandig naamwoord

timpen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord timp

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be