timmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tim·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
timmeren
timmerde
getimmerd
zwak -d volledig

Werkwoord

timmeren

  1. inergatief houten zaken in elkaar zetten
    • Hij kan erg goed timmeren; hij heeft gisteren die hele tafel gemaakt. 
  2. inergatief herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaan
    • Stop alsjeblieft met dat timmeren op je tafel. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Aan de weg timmeren.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl