timide

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·mi·de
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen timide timider
verbogen timidere
partitief timides timiders -

Bijvoeglijk naamwoord

timide

  1. verlegen, bleu, bang, bedeesd
    • De timide jongen durfde zijn spreekbeurt niet te houden. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.