tienvoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tien·voud
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tienvoud tienvouden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tienvoud o [1]

  1. een verzameling van 10 maal zoveel exemplaren
    • Wat zes jaar geleden begon als een kleinschalig evenement met 300 deelnemers is zes jaar later uitgegroeid naar een grote organisatie met een tienvoud aan zwemmers. Meer dan 3000 mensen springen vandaag het koude water in om in actie te komen tegen ALS.[2] 
    • De plannen voor het enorm ingewikkelde proces werden vaak nog in een veel te laat stadium, tijdens het bouwen, gewijzigd, aldus het BIT. Op z’n vroegst zou het project ‘operatie Basisregistratie Persoonsgegevens’ (oBRP) in 2023 zijn afgerond met nog minstens 225 miljoen aan uitgaven. Dat zou bijna een tienvoud zijn van een initiële schatting.[3] 
  2. een getal dat bij delen door tien een resultaat oplevert zonder dat er een rest is, een getal dat eindigt op een 0
    • Negentig is het tienvoud van negen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 03 sep. 2017
  3. NRC Liza van Lonkhuyzen 4 augustus 2017