tienling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tien·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van tien met het achtervoegsel -ling
enkelvoud meervoud
naamwoord tienling tienlingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tienling m [1]

  1. groep van 10 individuen die kort na elkaar uit één moeder zijn geboren
    • De installaties van Jake en Dinos Chapman, aan elkaar gemaakte vrouwenlichamen van etalagepoppenmateriaal, Siamese twee-, vijf- of tienlingen, lijken me onbeschaamd van Hans Bellmer geplagieerd. De foto op het omslag van de catalogus, wijd opengesperde mond met uitgestoken tong heeft een halve eeuw geleden op een omslag van Cobra gestaan. Ook Einstein heeft laten zien hoe dat moet. Ik had SENSATIE bezichtigd. Ik ben er ook geweest, ik kan er over meepraten. [2] 
    • Thuis kon en mocht veel. Smokkelde zoon Hans in een papieren tas een konijn het huis binnen? Geen probleem; zelfs niet toen het beviel van een tienling. Zolang hij zich zelf maar over de jongen ontfermde. [3] 
  2. romeinse zilveren munt
Hyperoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC H.J.A.Hofland 3 december 1999 De grootte van de dood
  3. NRC Gemma Venhuizen 23 september 2016 Als je iets wilt, moet je ervoor zorgen