tidleg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • tid·leg
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord tíðligr en van het Nederduitse woord tidelik
  • Afgeleid van het Nynorske zelfstandige naamwoord tid met het achtervoegsel -leg
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud tidleg tidlegare tidlegast
o enkelvoud tidleg
meervoud tidlege
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
tidlege tidlegare tidlegaste

Bijvoeglijk naamwoord

tidleg

  1. vroeg, vroegtijdig
  2. tijdelik

Bijwoord

tidleg

  1. vroeg, vroegtijdig
    «Korleis behandle tidleg psykose?»
    Hoe vroegtijdig bij psychose helpen?