ticje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tic·je

Zelfstandig naamwoord

ticje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord tic

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.