thesaurie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • the·sau·rie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thesaurie thesaurieën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

thesaurie v [2]

  1. plaats waar men het geld van de overheid of een organisatie beheert
     De Nederlandse overheid moet dit jaar 8,4 miljard euro meer lenen op de geldmarkt dan eerder gedacht. Dat meldde het Agentschap van de Generale Thesaurie vandaag.[3]
     ‘Hoe sneller de staat werkt, hoe beter dus voor de gemeentelijke thesaurie. Een vertraging leidt niet alleen tot mogelijke kasproblemen voor de lokale besturen, ze zorgt er ook voor dat middelen waarop een gemeente in een bepaald begrotingsjaar had gerekend, naar een volgend jaar verschuiven’, luidt het bij de VVSG.[4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. thesaurie op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Nederlandse overheid moet 8,4 miljard meer lenen” (06-06-2012), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron Jta “Traag werkende fiscus zorgt voor frustraties bij gemeenten” (24/09/2014), De Standaard
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be