theoreticus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • the·o·re·ti·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kenner van de theorie’ voor het eerst aangetroffen in 1805 [1]
  • met het achtervoegsel -icus
enkelvoud meervoud
naamwoord theoreticus theoretici
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

theoreticus m

  1. iemand die zich met theorieën bezighoudt of deze ontwikkelt
    • Hij is beroemd als theoreticus in dit vakgebied. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen