teweeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·weeg
Woordherkomst en -opbouw
  • onstaan uit de samenkoppeling  te bw   wege zn  "op weg"; een oude datief waarvan de uitgang -e weer is afgesleten [1]

Bijwoord

teweeg

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord op gang, in beweging (als onderdeel van: teweegbrengen)
  2. op weg, op het punt, van plan
    • ‘Zoe-je, nondedzju! nog durve sloan mee ouë stok?’ riep ik hem, en 'k was teweeg om d'r hem nog wa schuppen bij te geen, moar ze pakten mij mee drijen vaste en brachten mij bij den directeur... (weergave uitspraak in spreektaal)[2]
Synoniemen
Opmerkingen
  • De tweede betekenis, waarin het woord niet als deel van "teweegbrengen" wordt gebruikt, komt alleen in Vlaanderen voor.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen