teveel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·veel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teveel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

teveel o

  1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
    • Er was een teveel aan onverantwoorde kredietverleneningen. 
Opmerkingen
  • als bijvoeglijk naamwoord (of telwoord) voorafgegaan door te losgeschreven
    • Er is te veel water. 
    • Er is een teveel aan water. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.