Naar inhoud springen

terugvallen

Uit WikiWoordenboek
  • te·rug·val·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugvallen
viel terug
teruggevallen
klasse 7 volledig

terugvallen

  1. ergatief een bereikte hogere positie weer op moeten geven
    • Hij was de glibberige rots een stukje opgeklommen maar hij gleed uit en viel terug. 
  2. ergatief (figuurlijk) een bereikte hogere positie weer op moeten geven
    • Door dat oponthoud was hij flink op de ranglijst teruggevallen. 

deterugvallenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord terugval
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be