terugtrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugtrekken
trok terug
teruggetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

terugtrekken

  1. wederkerend (militair) een eerder binnengetroken of veroverd gebied verlaten
    • Amerika heeft zich na tien jaar nog steeds niet teruggetrokken uit Afghanistan. 
  2. overgankelijk een uitgestoken lichaamsdeel weer verwijderen
    • Hij trok snel zijn hand terug toen hij voelde hoe heet de plaat was. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.