teneur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·neur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geest, strekking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord teneur
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teneur m

  1. geest, strekking
    • De teneur van het verhaal is dat de oplossing van het energieprobleem niet zo eenvoudig is. 
    • De teneur van de lezing is dat iedereen heel goed zijn best heeft gedaan, maar dat het bedrijf toch failliet gaat. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen