tener

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ner

Werkwoord

tener

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van tene


Spaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tener
tenía
tenido
volledig

Werkwoord

tener

  1. hebben
    «Ella tiene seis hermanos.»
    Zij heeft zes broers.
    «Tenemos hambre.»
    Wij hebben honger.
  2. bevatten
    «Este tarro tiene las cenizas.»
    Deze pot bevat de assen.
  3. ~ que moeten
    «Tengo que trabajar.»
    Ik moet werken.
Vaste voorzetsels
  • tener que