temmer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van temmen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord temmer temmers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

temmer m

  1. (beroep) iemand die (meestal dieren) temt
Hyponiemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be