telepaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·le·paat
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel tele- met het achtervoegsel -paat
enkelvoud meervoud
naamwoord telepaat telepaten
verkleinwoord telepaatje telepaatjes

Zelfstandig naamwoord

telepaat m

  1. iemand die telepathie beoefent

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be