telepaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·le·paat
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel tele- met het achtervoegsel -paat
enkelvoud meervoud
naamwoord telepaat telepaten
verkleinwoord telepaatje telepaatjes

Zelfstandig naamwoord

telepaat m

  1. iemand die telepathie beoefent

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.