tegenvaller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·val·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tegenvaller tegenvallers
verkleinwoord tegenvallertje tegenvallertjes

Zelfstandig naamwoord

tegenvaller m

  1. tegenslag
    • In Amsterdam bezoekt Plinius echter het café dat Pretpaleis Pinguïn heet: 'Die naam zegt al genoeg. Daar maken ze alleen maar pret. En hele verkeerde pret. Er wordt gedronken, gegokt, en er gebeurt nog veel meer vreselijks.' Een lelijke tegenvaller. Dan kan Plinius nog beter op de Zuidpool eenzaam zijn. Na een goed gesprek met zenuwarts Valentijn Vetgans wordt uiteindelijk aldus besloten. [1] 
     Wat een tegenvaller, nou moest ik nog twee uur op mijn burger wachten.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Volkskrant Arjan Peters5 december 2015 In depressieve Plinius Pinguïn een zelfportret zien
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be