tapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tapen
tapete
getapet
zwak -t volledig

Werkwoord

tapen

  1. overgankelijk (sport) ter ondersteuning en bescherming omwikkelen (van lichaamsdelen) met sporttape
    • Het tapen van handen en armen helpt niet omdat renners de handen stevig rond het stuur moeten klemmen tegen de schokken. [2]
  2. overgankelijk met breed plakband vastmaken of sluiten
    • We plakken de onderkant dicht. En daarna de zijkanten. En daarna tapen we van binnen naar buiten meerdere lagen kleefband om het zakje, dat er uiteindelijk niet meer als zodanig uitziet. [3]
  3. overgankelijk vastleggen op film of magneetband
    • (…) bovendien nam ik talloze vergeten filmprogramma’s op, zoals de onder cinefielen zeer gewaardeerde inleidingen van Alex Cox en Mark Cousins op (cult)films. En daar zijn herinneringen aan verbonden: nachten van laat opblijven om mij toen nog onbekende meesterwerken te tapen. Die banden dan nu bij het grof vuil zetten voelt als een deel van mijzelf uitwissen. [4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
tapar

tapen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van tapar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van tapar
vervoeging van
taparse

tapen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van taparse
  2. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van taparse