tantum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tan·tum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tantum tantums
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tantum o

  1. (verouderd) bepaalde hoeveelheid geld
    • Uit mededeeling van den getuige bleek dat Pincoffs en Kerdijk voor hun hoofd jaarlijks circa f 30000, plus het tantum van de "winst", op ongeveer f 10000 te schatten, genoten. [3]
Synoniemen
Verwante begrippen

naar de vorm, ook aan Latijn ontleend

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

tantum

  1. slechts
  2. zoveel
  3. zozeer