tannpirker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
En tannpirker.
Een tandenstoker.

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • tann·pir·ker
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tannpirker m

  1. (gereedschap) tandenstoker
    «Tannpirkere har vanligvis en spiss ende, noen ganger to, som brukes for å komme til mellom tennene.»
    Tandenstokers hebben meestal een puntig einde, soms twee, die gebruikt worden om tussen je tanden te komen.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tannpirker     tannpirkeren     tannpirkere     tannpirkerne  
genitief   tannpirkers     tannpirkerens     tannpirkeres     tannpirkernes  
Synoniemen
Hyperoniemen