tabernakel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·ber·na·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kastje op altaar met hosties, tent van de ark des verbonds’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tabernakel tabernakelen
tabernakels
verkleinwoord tabernakeltje tabernakeltjes

Zelfstandig naamwoord

tabernakel m en o

  1. een heilige bergplaats (meestal in de kerk)
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
tabernakelen

tabernakel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tabernakelen
    • Ik tabernakel. 
  2. gebiedende wijs van tabernakelen
    • Tabernakel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tabernakelen
    • Tabernakel je? 

Verwijzingen