tabakssap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·baks·sap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tabakssap tabakssappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tabakssap o [1]

  1. het bittere sap van de tabaksplant
    • Maar niet alleen schrijvers aan de Oostkust met een hang naar cultureel protectionisme joegen de romantisering van de cowboy aan. Ook de koeienjongens zelf hadden er een handje van het leven on the trail mooier voor te stellen dan het was. Voor hen smaakten de weken met bonen, koffie, en tabakssap om de slaap uit je ogen te wrijven, ondanks alles naar het leven van ‘vrije jongens’. Vergelijkbaar met het zelfbeeld van vrachtwagenchauffeurs voor de komst van de tachograaf. [2] 
  2. het met speeksel vermengde sap van de tabaksplant dat vrijkomt bij het pruimen
    • Ik had ook best segaren kunnen roken, denkt Fridlöv, als zijn pijp met een laatste sis dooft. Hij krijgt bitter tabakssap op zijn tong en hij moet spugen, brr. Maar ik had ook best een gouden horloge voor doordeweeks kunnen hebben en ik had ook best met een hoge boord om kunnen lopen als ik gewild had. [3] 


Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sjoerd de Jong 15 mei 2010 Wild Amerikaans
  3. Eyvind Johnson De Tweede Ronde. Jaargang 10 Een moeilijk moment