tâtonner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| tâtonner |
tâtonnais |
tâtonné |
| eerste groep | volledig | |
tâtonner
- aftasten; aanrakend onderzoeken; meermaals richting iets tasten om iets te vinden of om zich te oriënteren
- (figuurlijk) aarzelen; de juiste woorden vinden, de juiste actie zoeken, ...
- (figuurlijk) meerdere pogingen doen om de oplossing te vinden (alsof men tast in het duister)
- ↑ tâtonner (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.