synode

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sy·no·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kerkvergadering’ voor het eerst aangetroffen in 1590 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'hodós' (reis, weg) met het voorvoegsel syn- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord synode synoden
synodes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

synode v [3]

  1. kerkvergadering
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen