sussen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sus·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kalmeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1501 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sussen
suste
gesust
zwak -t volledig

Werkwoord

sussen

  1. overgankelijk tot bedaren brengen
    • Hij trachtte de ruzie tussen de kinderen te sussen, maar dat wilde niet erg lukken. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen