surreëel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur·re·eel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen surreëel surreëler surreëelst
verbogen surreële surreëlere surreëelste
partitief surreëels surreëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

surreëel

  1. onwerkelijk
    • Dat de teams onder haar leiding zoveel succes boeken is surreëel voor de lerares. „Wauw, mijn tactiek werkt gewoon. Ik ben best trots op mezelf en vooral heel dankbaar dat ik dit mag meemaken.” [1] 
    • ,,In dat verlaten park zijn voelde aan als een griezelige Disney-ervaring", vertelt de fotograaf uit Ohio. ,,Het was surreëel en echt knap." [2] 
    • Zo eindigde de US Open-finale curieus en surreëel. Osaka kon niet echt genieten van haar primeur en dat was een domper op een perfect toernooi en een bijna foutloze finale tegen haar grote idool. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen