surcharge
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| surcharge | la surcharge | surcharges | les surcharges |
surcharge v
- overbelasting
- overschildering
- bijbetaling; toeslag; extra kost
| vervoeging van |
|---|
| surcharger |
surcharge
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van surcharger
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van surcharger
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van surcharger
- ↑ surcharge (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.