supervisor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·per·vi·sor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord supervisor supervisors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

supervisor m

  1. (beroep) iemand die erop toeziet dat de onderdelen van een project of organisatie goed op het te bereiken resultaat zijn afgestemd, zonder direct leiding te geven
    • Van mijn supervisor hoor ik dat er een verzoek is binnengekomen om me terug te trekken uit mijn stage. Een eufemisme voor ontslag. Mijn jaar is bijna vol. Het zou me een heel studiejaar kosten. Misschien ben je niet lief genoeg, zegt mijn supervisor. Ik kijk hem verbaasd aan. Lief? Dat is de opdracht toch niet? [2]
    • De eerste verhalen werden nog geschreven en getekend door Willy Vandersteen, maar toen hij medewerkers in dienst nam, vond een taakverdeling plaats, waarbij de rol van Vandersteen geleidelijk vooral die van artistieke supervisor werd. Als er een nieuwe serie werd gestart, zoals Bessy, De Rode Ridder of Karl May, dan werden de eerste delen ervan meestal door hem zelf grotendeels geschreven en getekend. Als de series eenmaal goed op poten waren gezet, liet hij ze over aan de medewerkers van zijn Studio, die op het hoogtepunt meer dan tien tekenaars, schrijvers, coloristen en letteraars telde. [3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·per·vi·sor
enkelvoud meervoud
supervisor supervisores

Zelfstandig naamwoord

supervisor m

  1. (beroep) opzichter, voorman, ploegbaas
Synoniemen