superior

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pe·ri·or
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord superior superiors
superiores
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

superior m

  1. (religie) (rooms-katholiek) iemand die de leiding over een klooster heeft
    • Een kleine groep vertrok daarheen, onder leiding van Dom Tholens als superior en pater Van den Biesen als kellenaar (econoom). De oorlog doorkruiste echter de plannen voor een nieuw klooster. [3]
    • (…) hij herstelde de oude stichting in het gewezen capucienen-klooster van Dendermonde, en smaakte de voldoening aldaar als monnik en als superior te sterven. [4]
  2. (voeding) (handel) kristalsuiker van hoge kwaliteit
Synoniemen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

superior

  1. meerder, beter, superieur, van betere kwaliteit
    «This is of superior quality.»
    Dit is van betere kwaiteit.
  2. (beschrijvende plantkunde) bovenstandig
    «A superior ovary.»
    Een bovenstandig vruchtbeginsel.
enkelvoud meervoud
superior superiors

Zelfstandig naamwoord

superior

  1. meerdere, superieur


Latijn

Bijvoeglijk naamwoord

superior (o: superius)

  1. vergelijkende trap van super
    1. hoger;
    2. superieur;
    3. bovenvermeld


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pe·rior
enkelvoud meervoud
superior superiores

Zelfstandig naamwoord

superior m/v

  1. superieur, meerdere (in rang)
Synoniemen
  enkelvoud meervoud
mannelijk superior superiores
vrouwelijk superior superiores

Bijvoeglijk naamwoord

superior

  1. hoger, superieur, bovenste
  2. beter, groter
  3. uitstekend

Verwijzingen