superior

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pe·ri·or
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord superior superiors
superiores
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

superior m

  1. (religie) (rooms-katholiek) iemand die de leiding over een klooster heeft
    • Een kleine groep vertrok daarheen, onder leiding van Dom Tholens als superior en pater Van den Biesen als kellenaar (econoom). De oorlog doorkruiste echter de plannen voor een nieuw klooster. [3]
    • (…) hij herstelde de oude stichting in het gewezen capucienen-klooster van Dendermonde, en smaakte de voldoening aldaar als monnik en als superior te sterven. [4]
  2. (voeding) (handel) kristalsuiker van hoge kwaliteit
Synoniemen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Bijvoeglijk naamwoord

superior (o: superius)

  1. vergelijkende trap van super
    1. hoger;
    2. superieur;
    3. bovenvermeld


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pe·rior
enkelvoud meervoud
superior superiores

Zelfstandig naamwoord

superior m/v

  1. superieur, meerdere (in rang)
Synoniemen
  enkelvoud meervoud
mannelijk superior superiores
vrouwelijk superior superiores

Bijvoeglijk naamwoord

superior

  1. hoger, superieur, bovenste
  2. beter, groter
  3. uitstekend

Verwijzingen