sullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sullen
sulde
gesuld
zwak -d volledig

Werkwoord

sullen

  1. overgankelijk (verouderd) voor de gek houden
  2. ergatief over ijs of sneeuw ergens heen glijden
    «Na de eerste middagtafel, [...], smakte de kok in ons midden alsof hij langs de trapleuning omlaag kwam gesuld.[1]»

Zelfstandig naamwoord

sullen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sul

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Jan de Hartog. Stella Mary Thalassa 1970