sukkelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • suk·ke·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van sukkel met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sukkelig sukkeliger sukkeligst
verbogen sukkelige sukkeligere sukkeligste
partitief sukkeligs sukkeligers -

Bijvoeglijk naamwoord

sukkelig

  1. dom, onnozel, traag
    • De sukkelige jongen had alweer een onvoldoende voor zijn examen gehaald. 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be