suf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • suf
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen suf suffer sufst
verbogen suffe suffere sufste
partitief sufs suffers -

Bijvoeglijk naamwoord

suf

  1. moeite ervarend om oplettend te zijn
    • Na de lange reis was hij blij zijn suffe hersenen wat rust te kunnen gunnen. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
suffen

suf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
    • Ik suf. 
  2. gebiedende wijs van suffen
    • Suf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
    • Suf je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.